Advertentie
bestuur en organisatie / Achtergrond

‘Den Haag is overdwars uitgehold'

Elf jaar burgemeesterschap in Groningen heeft Jacques Wallage geleerd dat de macht van Den Haag beperkt is. ‘Ook al gaat Den Haag een jaar op slot, dan nog valt Groningen prima te besturen.’

19 juni 2009

De verhuisdozen staan op tafel in de werkkamer van Jacques Wallage. Hij is halverwege het uitmesten van een metershoge en -brede eikenhouten kast, waarin veertig jaar lokale geschiedenis blijken weggeborgen.

 

Controversiële dossiers als de Oosterparkrellen en de Lanceekwestie uit de tijd van Hans Ouwerkerk, zijn voorganger. Talloze relatiegeschenken - ‘hier uit Moermansk. Wat moet je ermee?’ - spullen en paperassen zelfs nog van Harm Buiter, burgemeester in de jaren zeventig. Dat wil zeggen, nog uit de tijd dat de toen de 26-jarige Wallage wethouder in Groningen was. ‘Mijn opvolger, zo heb ik me voorgenomen, krijgt een lege burgemeesterskast.’

 

Als nieuwe burgemeester van Groningen is voorgedragen Peter Rehwinkel, de huidige burgemeester van Naarden, net als Wallage een geboren Groninger. Volgende week is Wallage’s klus geklaard; donderdag 25 juni is zijn laatste dag in het stadhuis. Tien jaar en negen maanden was Wallage er burgemeester. Onverwachts gaf hij in 1998 aan die post in het lokale bestuur de voorkeur boven die van een welhaast zeker ministerschap.

 

In Den Haag immers was Wallage machtig en invloedrijk. Hij behoorde tot de politieke leiding van de PvdA. ‘Er was in Den Haag diep onbegrip dat ik koos voor het burgemeesterschap van Groningen. Als ik gewild had, had ik minister kunnen worden. Ik was onderhandelaar namens de PvdA, had de kabinetsformatie gedaan. Men begreep in Den Haag niet dat ik voor Groningen koos. Ook hier, in Groningen, had men twijfels. Ik weet nog dat de vertrouwenscommissie uit de raad vroeg of ik wel de volle periode van zes jaar zou blijven.’

 

Hij maakt uiteindelijk bijna twee periodes vol. ‘Ik denk dat ik destijds intuïtief heb aangevoeld dat de idealen waarvoor ik sta beter zijn te realiseren vanuit het lokaal bestuur’, zegt hij in een poging zijn move te duiden. ‘Als ik terugkijk is het burgemeesterschap de aardigste en plezierigste fase uit mijn loopbaan. Iets wat je lokaal kunt regelen, moet je als gemeente vooral zelf doen. Den Haag moet, nog meer dan nu, zaken overlaten aan het lokaal bestuur. Want alles wat Den Haag doet, heeft het grote risico in zich dat het verdort.’

 

Veel macht is volgens Wallage uit Den Haag weggevloeid; naar Brussel, naar de G8 en naar beneden, naar de burgers die eigen beslissingen nemen. ‘Den Haag is overdwars uitgehold! Men doet nog wel alsof men in de cockpit van een vliegtuig zit en de Nederlandse bevolking in de stoelen erachter. Maar dat is niet meer de maatschappelijke realiteit.'

 

'De belangrijkste les uit mijn burgemeestersperiode is dat de relevantie van Den Haag uiterst beperkt is. Ik kwam met een hoge hoed op terug in Groningen, maar ik heb gezien dat de stad ook prima te besturen valt als Den Haag één jaar op slot zit. Bijna alle debatten en agenda’s in Den Haag hebben een beperkte betekenis voor het feitelijke bestuur van de stad. Mensen zitten er amper mee wat er op en rondom het Binnenhof gebeurt.’

 

Het moet raar lopen als dat geluid de komende jaren niet regelmatig doorklinkt in de adviezen van de Raad voor het openbaar bestuur (Rob), waarvan Wallage de nieuwe voorzitter is. ‘Maar’, zo laat hij weten, ‘als voorzitter heb ik een bescheiden rol. Ik keer niet terug in de landelijke politiek. Ik mag adviseren.’

 

Wallage gaat het na veertig jaar actief te zijn geweest in het openbaar bestuur rustiger aan doen, maar blijft zich via de Rob wel inspannen voor wat hij ‘de publieke zaak’ noemt.

 

‘Als kind wilde ik gaan werken in de winkel van mijn vader, een zaak in huishoudelijke artikelen hier in Groningen. Ik koos, nadat ik in mijn studententijd lid werd van de PvdA en gemeenteraadslid in Groningen, voor de publieke zaak. Die behoeft verdediging. Zo zag ik het toen, zo zie ik het nu nog. De publieke zaak gaat uiteindelijk om het beschermen wat zich niet individueel kan beschermen, bij veiligheid, in het onderwijs. Er zijn altijd veel mensen die zich kunnen redden, maar ook een heleboel mensen voor wie bescherming nodig is.’

 

Onvrede was ook een reden waarom hij de politiek in ging. ‘Ik had het gevoel dat je nu ook tegenkomt: er is een generatie die het heeft dicht gemetseld. Jonge mensen die zeggen: “we willen meedoen, maar krijgen onvoldoende kans.” Dat was destijds ook het leidmotief bij de strijd voor meer democratie op de universiteit. In het begin ging het mij heel sterk om het functioneren van de democratie. Later kwam daar persoonlijk de inzet bij voor betere ontwikkelingsmogelijkheden voor iedereen, met name het onderwijs.'

 

'De laatste jaren komt het democratie thema weer terug. Heel veel processen zijn dus cyclisch. De Bijbelspreuk “er is niets nieuws onder de zon” is waar. Want net als veertig jaar geleden, voelen veel mensen zich buitenstaander. Of het nu gaat om huurders, onderwijs of Europa.’

 

Onvrede

 

Ondanks het feit dat er de laatste decennia enorme vorderingen zijn gemaakt op het gebied van emancipatie, is volgens hem de kloof tussen mensen die wel en geen vertrouwen hebben in de maatschappelijke instituties verder verscherpt.

 

‘Uit analyses van de verkiezingsuitslagen voor het Europees Parlement, blijkt dat de keuze van het electoraat voor de PVV en de PvdA niet met een hoge of lage opleiding heeft te maken, evenmin met rijk of arm. Dat zag je al aankomen met de chirurgen en bouwondernemers die Pim Fortuyn steunden: geld zat, maar een hekel aan regels. Het is een optocht van mensen die diepe onvrede heeft met de hoofdrichting waarin de samenleving zich ontwikkelt.'

 

'We hebben een kloof tussen mensen die zich wel of niet thuisvoelen in eigen land of stad, tussen mensen die de toekomst als perspectief zien of juist als bedreiging. Er is in elk geval een grote groep die het gevoel heeft dat het vroeger beter was. Zo bezien is het niet onbegrijpelijk dat de hoofdrichtingen, de sociaaldemocratie, de christendemocratie en het liberalisme in de klassieke zin, op hun donder krijgen en de PvdA het meeste omdat die als partij het meest verbonden is met de publieke zaak. Dat heeft dus niets te maken met Bos of met Wilders. Mensen die die verbinding wel leggen, zijn slordig. Je hebt geen hersens gekregen voor dit soort denken.’

 

In de vloedgolf van populisme zal volgens Wallage de werkelijke betekenis van maatschappelijke instituties zoals gemeenten en departementen de komende jaren opnieuw moeten worden bevochten. ‘Ruwweg een derde deel van het electoraat heeft het gehad met de politiek, het openbaar bestuur en met de politieke partijen. Dat gedoe rond Wilders zal niet beklijven. Er is een dieper liggend onbehagen. Het je niet thuis voelen is een negatieve emotie. Dat uit zich in boosheid, maar op boosheid kun je geen toekomst bouwen.

 

Het grote voorbeeld is de Verenigde Staten en het presidentschap van Obama. Dat is gebaseerd op hoop, op het overbruggen van tegenstellingen onder het motto “we kunnen best, als we maar willen.” Het hoofdthema hier in Europa is: “we kunnen niets en het wordt ook nooit wat.” Dat is het sentiment waarop het populisme dobbert. Het is niet een wind waarop je naar de toekomst waait.'

 

'Voor de gemeenteraden, voor het openbaar bestuur, voor de politiek zijn dit heel verwarrende tijden. Minister Plasterk, intellectueel toch, roept de partij op de wijken in te gaan. Dat geeft aan hoever mensen van de leg zijn. En dat uit de mond van iemand die in staat is om intellectuelen op te leiden. Kunnen we niets fundamentelers bedenken? Als we niet veel verder komen...’

 

In de rui

 

De analyse van Wallage is dat we na de fase van wederopbouw, de uitbouw van de verzorgingsstaat en vervolgens de poging tot reconstructie van de verzorgingsstaat, te maken hebben met een wereld om ons heen die compleet is veranderd.

 

‘Die global village bestaat dus echt. Net zoals Europa een feit is. De consequentie daarvan is dat er geen grenzen meer bestaan. De vraag is of honderd jaar oude instituties als politieke partijen, vakbonden en kerken stand kunnen houden in deze hoogtechnologische internationale informatiemaatschappij met zijn zware individuele tendensen. Ik ervaar dat we als instituties in de rui zijn, afgaand op het gevoel van onbehagen dat er alom heerst.'

 

'Het eerste gebod is dat we daarvan niet de minderheden de schuld moeten geven. Dat is één keer gebeurd, halverwege de vorige eeuw, en dat is slecht afgelopen. Dat moesten we dus maar niet weer doen. Het tweede gebod is: organiseer perspectief en zoek bondgenoten. Niet voorwaarts naar het verleden, zoals Wilders wil, maar naar voren, naar de toekomst.’

 

In het rijtje geboden hoort ook dat burgers op meer en andere manieren bij de politiek moeten worden betrokken. ‘Het is heel bizar dat een procent van de burgers lid is van een politieke partij en dat we daaruit onze bestuurders rekruteren. Dat is nauwelijks meer te verantwoorden. Er zijn enthousiaste vrijwilligers en jonge mensen die willen meedoen. Laat die dan ook hun rol vervullen in een representatieve democratie. Je moet elke keer betrokkenheid organiseren.'

 

'Het proces van institutionalisering deelt de verantwoordelijkheid weg van mensen. Mensen willen zelf beslissingen nemen. Met die hang naar directe invloed moet je iets doen. De referenda in Groningen over een andere inrichting van de Grote Markt hebben laten zien dat het werkt’, zegt hij.

 

‘Stadjers die willen meedoen krijgen van ons voorzieningen, we nodigen ze persoonlijk uit voor vergaderingen, online kunnen ze mee vergaderen. Met de organisatie van dit soort participatieprocessen hebben politieke partijen de grootste moeite. Waarom laten we bij de PvdA mensen die willen mee discussiëren niet vijf euro betalen, waarna ze vervolgens mogen meestemmen. Ik bedoel, in plaats van dat ze eerst volledig lid moeten worden.’

 

Het ontbreekt volgens Wallage in het politieke midden en op links momenteel aan echt leiderschap. Dat heeft volgens hem veel te maken met de foute interpretatie van het fenomeen Fortuyn.

 

‘Eén van de conclusies van dé politiek op Fortuyn was dat de politiek moest doen wat de mensen zeiden. Fortuyn zei echter wat hij vond en had lak aan wat de mensen ervan vonden. “Problemen met Marokkaanse jongens? Nee, hoor ik ga met ze naar bed” zei hij dan luid. Hij was meer dan alleen spreekbuis van het ongenoegen. Na Fortuyn denken heel veel politici dat ze moeten doen wat de mensen zeggen, maar de mensen willen horen waar het naar toe moet. Ze hebben een dringende behoefte gewezen te worden naar het land achter de horizon.’

 

Blijf fatsoenlijk

 

Rechts heeft met Geert Wilders wel een leider. Het politieke dier in Wallage kan niet nalaten daar een kanttekening bij te plaatsen. ‘Dat Wilders zegt een beweging te zijn, is niet democratisch, Hij is in zijn eentje de baas. Deze mijnheer runt een beweging als een onderneming waarbinnen hij presidentdirecteur is, voorzitter van de raad van commissarissen en enig aandeelhouder. Dat is in strijd met het recht.’

 

Wallage geeft af op ‘de fellowtravelers van het populisme’ – ook en vooral in zijn eigen partij – die op Wilders willen lijken om het electoraat te behagen. ‘Die bewijzen de kiezer en ook zichzelf een heel slechte dienst. Bewaar de kalmte, blijf fatsoenlijk. Werk, huisvesting en inkomen blijven de natuurlijke instrumenten waar het om gaat. En vergeet niet dat de overheid een enorme potentie heeft. Toen we in de jaren zeventig in Groningen het verkeerscirculatieplan indienden, geloofde niemand dat het kon, maar er groeien nu bomen in de binnenstad. Het kan echt!’

 

Jacques Wallage

 

Jacques Wallage (Apeldoorn, 1946) groeide op in een joods middenstandsgezin in Groningen, werd daar raadslid en op 26-jarige leeftijd in 1972 wethouder. In 1981 verruilde hij de lokale politiek voor de landelijke als Kamerlid voor de PvdA. In 1989 werd onderwijssspecialist Wallage staatssecretaris van onderwijs in het derde kabinet Lubbers. Na het aftreden van Elske ter Veld in 1993 ‘verhuisde’ hij naar Sociale Zaken.

 

Tijdens het eerste paarse, CDA-loze kabinet onder leiding van PvdA’er Wim Kok was Wallage voorzitter van de PvdA-Tweede Kamerfractie. Wallage verweet VVD-fractievoorzitter Frits Bolkestein toen in troebel water te vissen met diens kritiek op islam en migranten.

 

In 1998 verraste Wallage vriend en vijand aan het einde van de onderhandelingen voor een tweede paarse kabinet met zijn vertrek uit Den Haag en de keuze voor de benoeming tot burgemeester van Groningen. Wallage neemt donderdag 25 juni afscheid als burgemeester, maar blijft actief voor de publieke zaak. Hij volgt partijgenoot Jos van Kemenade op als voorzitter van de Raad voor het openbaar bestuur, die gevraagd en ongevraagd de minister van Binnenlandse Zaken adviseert.

 

Plaats als eerste een reactie

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.

Advertentie