Hausse aan onervaren wethouders ‘heel riskant’ bij decentralisaties
Zoveel nieuwe wethouders dragen niet bij tot stabiele gemeentebesturen. En dat in een periode waar met man en macht moet worden gewerkt om de decentralisaties sociaal domein in en uit te voeren. Gemeenten kunnen zich geen blunderende wethouders dan wel bestuurscrisis veroorloven. 'Heel riskant’, stelt Mirko Noordegraaf, hoogleraar Publiek Management aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (Universiteit Utrecht).
De grote hoeveelheid onervaren wethouders die dit jaar aan de slag is gegaan, is ‘heel riskant’. Zeker met de decentralisaties jeugd, zorg en werk voor de deur. Goede ambtelijke ondersteuning is van groot belang en daarmee de rol van de gemeentesecretaris cruciaal.
Van de 1483 wethouders die na de raadsverkiezingen zijn benoemd, zijn er maar liefst 761 groentjes. Meer dan de helft van de lokale bestuurders zit dus voor het eerst op het pluche, blijkt uit onderzoek van kennisplatform voor het openbaar bestuur De Collegetafel in opdracht van Binnenlands Bestuur (zie BB nr. 17). En dat in een periode van fikse uitbreiding van het gemeentelijke takenpakket, dat bovendien met minder geld moet worden uitgevoerd. ‘Heel riskant’, stelt Mirko Noordegraaf, hoogleraar Publiek Management aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (Universiteit Utrecht). De risico’s bevinden zich volgens hem grofweg op twee vlakken: het nieuwe-wethouder-effect en de decentralisatie-operatie.
Nekslag
‘Als nieuwe wethouder is het ten eerste altijd moeilijk je te positioneren en grip krijgen op je dossiers.’ Dat gecombineerd met de ‘wankelheid van het wethouderschap’, zoals Noordegraaf het noemt, liggen er zeker voor onervaren wethouders talloze valkuilen en bananenschillen op de loer die hem of haar op een goed moment de kop kunnen kosten. ‘Het elan waarmee nieuwe wethouders beginnen, kan zich tegen hen keren.’ Als de nieuwbakken wethouder te snel en te veel tegelijkertijd wil, is er het gevaar dat hij − inhoudelijke − steken laat vallen. Ook kan, in de gretigheid om zaken voortvarend voor elkaar te krijgen, de gemeenteraad ‘vergeten’ worden. En een raad die zich tegen je keert, is meestal het begin van het einde, stelt Noordegraaf.
‘Grote projecten die tegenvallen, te innige of dubieuze relaties met verkeerde relaties kunnen eveneens leiden tot het noodgedwongen vertrek van een wethouder.’ Naast deze evidente oorzaken, stipt Noordegraaf indirecte en latente oorzaken aan. ‘Een wethouder struikelt dan niet over een uit de hand gelopen project, maar door een opeenstapeling van factoren en/of incidenten. Denk aan het niet scherp handelen in dossiers en ontmoetingen met de raad die niet lekker lopen.’ Deze sluipende en sluimerende zaken kunnen uiteindelijk de nekslag voor de wethouder betekenen. Hoewel Noordegraaf erkent dat dit iedere wethouder kan overkomen, komen volgens hem onervaren wethouders sneller in dergelijke situaties terecht.
Zoveel nieuwe wethouders dragen kortom niet bij tot stabiele gemeentebesturen. En dat in een periode waar met man en macht moet worden gewerkt om de decentralisaties sociaal domein in en uit te voeren. Gemeenten kunnen zich geen blunderende wethouders dan wel bestuurscrisis veroorloven. Dubbelriskant, zou je bijna zeggen.
Taboes
De risico’s in de combinatie van zoveel onervaren bestuurders en de ‘3D-operatie’ liggen met name op het vlak van culturen en belangen: twee van de drie dimensies die Noordegraaf onderscheidt in het wethoudermetier. De eerste dimensie is de functionele. ‘Wethouders hebben concrete opdrachten en projecten die ze in het kader van het collegeprogramma moeten uitvoeren. Ze moeten problemen oplossen.’ Dan heb je de culturele dimensie. ‘Als wethouder heb je te maken met een keur aan burgers, instellingen en ondernemers die allemaal eigen manieren van doen hebben, maar ook tradities kennen, taboes delen of clubjes vormen.’ Tot slot de belangendimensie. Wat een gemeente ook besluit en met wie de lokale overheid ook in zee gaat op welk beleidsterrein dan ook: altijd staan er belangen en posities op het spel. ‘Wethouders hebben, los van de inhoud, een complexe taak. Ze moeten coalities sluiten en het bestuurlijke spel spelen, te midden van partijen met agenda’s en reputaties, en in een open arena met college, raadsleden, burgers en pers. Het beheersen van het spel in die open arena is gecompliceerd. Vooral jonge en onervaren wethouders hebben niet zomaar het repertoire om dat bestuurlijke spel behendig te spelen.’
Contracten
Veel van die onervaren wethouders zijn de komende jaren wel verantwoordelijk voor de in- en uitvoering van de Wmo 2015, de Jeugdwet en/of de Participatiewet. En zullen ‘in alle heftigheid’ moeten acteren op de tweede en derde dimensie: cultuur en belangen dus. Denk aan het vormen van wijkteams met mensen van verschillend pluimage en bloedgroep, het inkopen van zorg bij instellingen met ieder hun eigen expertise én eigen cultuur, adviesbureaus die allemaal een voet tussen de deur proberen te krijgen, vakbonden en zorginstellingen die aan de bel trekken omdat bij uitblijven van contracten banen op het spel staan, burgers die bang zijn dat ze minder zorg krijgen. Noordegraaf: ‘In deze open arena, waar ook nog eens de schijnwerpers op staan gericht en waarbij tijdsdruk en budget de druk op de ketel nog eens verhogen, moet je behoorlijk wat ervaring hebben om je staande te houden.’
Als dat niet lukt, is dat voor de vallende of slecht functionerende wethouder in kwestie vervelend. Dat ‘relatieve risico’ weegt in de ogen van Noordegaaf echter niet op tegen de risico’s voor de burgers. Want als pak ‘m beet een wijkteam niet goed functioneert, kunnen kwetsbare burgers daar direct last van ondervinden.
Gemeentesecretaris
Om dit doemscenario te voorkomen of, anders gezegd, de risico’s zo veel mogelijk in te perken, ziet Noordegraaf een belangrijke rol voor de burgemeester en de gemeentesecretaris weggelegd. ‘De burgemeester kan zorgdragen voor de benodigde slagkracht in het college, zeker als die uit veel onervaren wethouders van ook nog eens verschillende politieke kleur bestaat.’ Naast de vele onervaren wethouders die aan de slag zijn gegaan, zijn er na de verkiezingen van maart ook veel breed samengestelde colleges gevormd. Maar ook de gemeentesecretaris moet vol aan de bak, want ‘goede ambtelijke ondersteuning is zeker bij onervaren wethouders van groot belang.’ Goede beleidsstukken en gedegen ambtelijke advisering kunnen eveneens het verschil maken.
Maar het gaat goed fout als bij de betrokken ambtenaren een pittig aantal integriteitssteken los zitten.
Of als niet alle hersens recht hebben liggen.
In de binnenstad van Groningen dreigt een enorm gebouw gebouwd te worden (Groninger Forum).
Een lading extreem valse rapporten verder en het feit is daar: 3 ministeries ( BZK, V&J en ILT) onderzoeken nu deze zaak.
De levensgevaarlijke valse rapporten hebben B&W, de Gemeentelijke Rekenkamer en de Groninger Brandweer glansrijk doorstaan.
De laatste hobbel bij BZK is de 'deskundige ambtenares' van minister R.Plasterk die na een aantal malen uitleg nog steeds niet het verschil tussen het tijdstip van leven en het tijdstip van dood begrijpt.
Iedereen moet zo snel mogelijk uit een brandende rokende ruimte: OMDAT men maar 30 seconde de adem in kan houden.
Bij langer verblijf in de ruimte STIKT IEDEREEN..
DAAROM moet men volgens Bouwbesluit (WET!!!) binnen 1 minuut uit een brandende ruimte zijn!
Maar volgens de 'deskundige' medewerkster van de verantwoordelijke minister R. Plasterk maakt het geen verschil of je binnen 1 minuut of binnen 1.5 minuut uit een brandende rokende ruimte bent.
Ze mag nu eerst gaan oefenen met een heet strijkijzer op een overhemd.
Wat ziet ze na 30 seconde, na 1 minuut en na 1.5 minuut?
Daarna mag ze zelf, in de vorm van 'Wedden Dat!? de drie verschillende ontruimingstijden (30 sec, 1 minuut, 1.5 minuut) oefenen in een afgesloten brandrook ruimte.
Ik ga er vanuit dat de 'deskundige'' ambtenares zeer binnenkort het stokje overgeeft aan een wel deskundige collega. Zo dat zij minister R. Plasterk niet in de problemen..
Mevrouw Kiki
.