Moreel gedrag staat niet op zichzelf
Leonie Heres is bijzonder hoogleraar integriteit van het lokaal bestuur aan de Erasmus Universiteit.

Leonie Heres is bijzonder hoogleraar integriteit van het lokaal bestuur aan de Erasmus Universiteit. Deze week houdt zij haar oratie. We spreken met haar over hoe lastig het is om integriteit in het openbaar bestuur te verankeren, en wat in de huidige aanpak mist.
Leonie Heres pleit voor collectief moreel vakmanschap
Integriteitskwesties in het openbaar bestuur doen afbreuk aan het vertrouwen van burgers in de overheid. Daarom is veel geïnvesteerd in maatregelen en beleid om de integriteit van het openbaar bestuur beter te verankeren, maar dit blijkt lastig. Zeker in de politiek-bestuurlijke context blijft het zoeken naar een goede manier om met integriteit en integriteitsschendingen om te gaan.
Een beetje raar is het wel: bijna twee jaar na je benoeming als bijzonder hoogleraar Integriteit van het lokaal bestuur aan de Erasmus Universiteit je oratie houden. Maar er kwam uitstel door corona en Leonie Heres is nu pas aan de beurt. Op 15 september spreekt ze de oratie uit. Titel: ‘Collectief moreel vakmanschap’, want daar moeten we naartoe. Heres spreekt vóór haar oratie met Binnenlands Bestuur over waarom we zoekende zijn in de omgang met integriteit en wat de huidige aanpak mist. De inhoud van dit interview is daarmee ook onderdeel van de oratie.
Hoe kwam u tot het thema ‘collectief moreel vakmanschap’?
‘Bij integriteit van het openbaar bestuur gaat het vaak over waar het misgaat en over richtlijnen en kaders. Dat is voor bestuurders en ambtenaren niet motiverend, want je hoort vooral wat het niet moet zijn. Maar wat moet integriteit wél zijn? Waar streven we naar? En hoe komen we daar? Collectief moreel vakmanschap betekent dat je wilt dat het openbaar bestuur als collectief hoge ethische normen nastreeft en men zichzelf doorontwikkelt om integriteit te bevorderen. En goed kijkt welke kwaliteiten nodig zijn om daar invulling aan te geven. Ik bepleit dat integriteit niet iets is wat je individueel doet. Veel gedrag ontstaat in samenwerking, overleg, discussie en debat. Integriteit komt tot stand in en door gezamenlijk handelen. Daar moeten we aandacht voor hebben.’
Wat maakt het zo lastig om integriteit in het openbaar bestuur te verankeren?
‘Vooral bij bestuurlijke integriteit stappen we er soms te gemakkelijk overheen dat er andere verhoudingen zijn dan in een werkgever- werknemer-relatie. De raadsvoorzitter is bijvoorbeeld niet de baas van de raadsleden. De hiërarchie is anders. Het kan lastig zijn om op te treden, want het zijn gekozen volksvertegenwoordigers en door de raad aangestelde bestuurders. Maar we verwachten wel dat wordt opgetreden. Ook op andere manieren sluiten verwachtingen, gedrag en structuren nog niet goed op elkaar aan. Burgers zijn vaak verbaasd en verontwaardigd over wat er gebeurt. Dat heeft te maken met de aard van het ambt. Meer inzicht is nodig om dat beter te begrijpen en te zien waar mogelijkheden liggen om collectief moreel vakmanschap te versterken.’
Hoe komen we tot collectief moreel vakmanschap?
‘Je hebt juist elkaar nodig om blinde vlekken te herkennen en daarmee om te gaan. Leer om je oordeel uit te stellen. Laat je uitdagen om niet terug te vallen in automatismen. Zet de pauzeknop aan: klopt dit wel? Bedenk hoe je interacties en rollen inricht en bespreek wederzijdse verwachtingen op ingebouwde momenten. En ontwikkel morele vaardigheden. In algemene zin: je bént niet integer, maar je moreel bewustzijn kan wel beter of slechter worden. Mensen in machtsposities zien sommige dingen beter en andere dingen juist minder goed. Integer handelen is geen stabiel gegeven. Het heeft steeds aandacht nodig. Vandaar het woord vakmanschap.’
Zoekende
Politieke ambtsdragers zijn zoekende in hun omgang met integriteit, constateert Heres. ‘Het is een omgeving waar het afbreukrisico groot is. Dat leidt tot worstelingen.’ Ze noemt als voorbeeld de interim- gemeentesecretaris van Castricum die zijn eigen bedrijf via een enkelvoudige onderhandse aanbesteding opdracht gaf om een nieuwe gemeentesecretaris te zoeken, zijn eigen opvolger.
Op basis van extern onderzoek concludeerde de burgemeester dat de constructie juridisch correct en moreel uitlegbaar was. Het leek haar wel beter als de opdracht via een meervoudige aanbesteding was gegund. De oppositie vond de opdracht moreel laakbaar. ‘Dat is een goed voorbeeld: is dit een integriteitsschending of integritisme? Daar kun je verschillend naar kijken. Bestuurders zijn ook gefrustreerd dat overal integriteit bij wordt gehaald. Het is dus goed om het erover te hebben. Wanneer maak je melding van iets? Wanneer ben je tevreden met de uitkomst van een onderzoek?’
U verkent hoe eigenschappen van de rol van lokale politieke ambtsdragers invloed hebben op hun omgang met integriteit. Kunt u daar al iets over zeggen?
‘Het lokale bestuur is heel nabij. Als landelijk bestuurder heb je een grote achterban op allerlei vlakken, maar lokaal zijn het de burgers van je eigen gemeente. Die kom je tegen bij de voetbalclub, op school, bij de bakker. Dan ontstaan mogelijk eerder morele conflicten in jouw professionele omgeving. Dat kan twee kanten op werken: lokale bestuurders worden zich bewuster van die morele dilemma’s en zijn daardoor alerter. Of ze zijn eraan gewend of hebben er een aversie tegen en gaan dingen rationaliseren of over het hoofd zien. Dat zijn vragen om nog te onderzoeken. Evident is dat er lokaal risico’s voor netwerkcorruptie zijn.’
Waar ligt de grens tussen netwerkcorruptie en ombudspolitiek?
‘Dat is een snijvlak waar we als maatschappij nog zoekende in zijn. We moeten bedenken aan welke behoeften ombudspolitiek wél voldoet zonder te morrelen aan integriteit. Sommige mensen hebben er kennelijk behoefte aan, en ook dat raakt aan morele waarden en normen. Maar je moet wel transparant zijn over de risico’s en belangen. Geef gewogen en evenwichtig een oordeel zonder dat de integriteit op spel staat. Dat moet juist in het collectieve: transparant en toetsbaar voor de buitenwereld. We moeten nadenken over wat we willen en belangrijk vinden. Waar ligt die grens?’
Is die gemene deler wel te vinden in de huidige nogal gepolariseerde politiek?
‘Het is een verschuivend veld, dus op dit moment nog niet. Dat zie je ook bij grensoverschrijdend gedrag en sociale veiligheid: wanneer is iets een grap? Die grens vinden we niet, maar het gesprek erover is wel gaande. Het is echt zoeken. De gedragscode is niet de heilige graal om integriteit in het openbaar bestuur te brengen. De weg daarnaartoe is wel belangrijk. Integriteit is nooit af, maar het is wel nodig om het erover te hebben. Het gaat met vallen en opstaan en met frustratie en ongemak. Soms is de conclusie: we doen het nu niet goed.’
Mogen er wel lokale verschillen bestaan?
‘Je moet de discussie zo veel mogelijk lokaal organiseren, maar beleid moet begrijpelijk en uitlegbaar zijn. Waarom mag dit in de ene gemeente wel en in de andere niet? Wat kan helpen: proactief leren. Wacht niet op een kwestie, maar leer van andere gemeenten. Lokale verschillen moeten we niet uitvergroten. Er zijn veel gemene delers, zoals over lobby’s en belangenverstrengeling. Gemeenten zijn geen eilanden. Soms is er inderdaad wat meer couleur locale. Er moet ook autonomie zijn over invulling van waarden en normen en het ambt.’
Een laatste onderzoeksvraag is: hoe zorg je ervoor dat men over en weer tegenspraak biedt die goed is voor de publieke zaak en die morele ontsporingen voorkomt? Hebt u daar al een antwoord op?
‘We moeten goed voor ogen houden dat het politieke primaat vooropstaat. Maar loyaliteit betekent niet: alles doen wat de politiek zegt, terwijl je gevaren ziet of adviezen hebt. Loyaliteit aan personen is iets anders dan aan de politiek en het instituut als geheel. De politiek maakt de keuze, maar de rol van de ambtenaar is op een onafhankelijke, zuivere manier adviseren en tegenspraak bieden. Dat laatste brengt men vaak als: ik heb bezwaar. Beter spreek je vanuit je rol: als ambtenaar moet ik u dit laten weten. Het is een zakelijke verhouding. Dat is rolbewustzijn. Ruimte krijgen is één ding, maar durf die ruimte ook te nemen. Beide kanten moeten helder hun verwachtingen weergeven, voordat het spannend wordt.’
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.