Rijk middenbestuur vreest de heggenschaar
Het kabinet Balkenende IV pikte al achthonderd miljoen euro van de provincies af. De vermogingsafroming zou wel eens de voorbode kunnen zijn van een nog veel grotere greep in de kas.
Normaal gesproken roeren de verzamelde provincies zich wel als ze zich financieel tekortgedaan voelen door het rijk. Opvallend is dan ook de stilte die heerst nu het kabinet ze toch structureel ettelijke miljoenen euro’s door de neus boort door zuinige auto’s minder te belasten. Naar schatting gaat dat de provincies op jaarbasis uiteindelijk zo’n 25 miljoen euro kosten.
Het laat zich raden waarom de provincies zich gedeisd houden. Bij veel stampei, zou voor iedereen opeens zonneklaar zijn hoeveel provincies elk jaar meer opstrijken aan opcenten op de motorrijtuigenbelasting. Vorig jaar groeiden die inkomsten van die onzichtbare belasting – wie weet immers hoeveel hij of zij jaarlijks aan provinciale opcenten betaalt? – met ruim honderd miljoen euro tot een totaal van 1,2 miljard euro. In dat licht bezien is die opbrengstderving door het fiscaal stimuleren van zuinige auto’s slechts een fooi.
Vrijwel onopgemerkt nemen de inkomsten uit de provinciale opcenten jaar op jaar met zo’n tien procent toe. Dat kan mede zo geruisloos gaan omdat provincies de tarieven daarvoor niet eens hoeven te verhogen: doordat de belastinggrondslag stijgt – er komen steeds meer auto’s, die bovendien ook steeds zwaarder zijn – komt er steeds meer geld binnen. Waar gemeenten hun ozb-tarieven neerwaarts bijstellen als de huizen duurder worden, laten provincies grondslagstijgingen van de motorrijtuigenbelasting standaard gewoon oplopen. Dat kan zo gemakkelijk, omdat anders dan in de raadzaal, er in de statenzaal zelden of nooit politiek debat is over de vraag welke lasten je de burger kan of zou mogen opleggen.
Een gemeentebrede stijging van de ozb-opbrengst met tien procent in één jaar is ondenkbaar. Om waarschijnlijk nog een andere reden nemen de provincies het verlies van een paar miljoen euro op de koop toe. Ze hebben het bange vermoeden dat Den Haag hen – vanwege hun vermeende rijkdom – extra in de gaten houdt. Niet voor niets loopt er in opdracht van Binnenlandse Zaken momenteel een onderzoek naar de manier waarop het rijk het provinciefonds over de twaalf provincies verdeelt, maar ook naar de vraag of de omvang van die geldstroom ergens op slaat. Er zijn niet alleen grote inkomensverschillen tussen de provincies, maar ook enorme verschillen in uitgavenpatroon. Het onderzoek brengt tevens in kaart aan welke taken provincies het geld zoal uitgegeven – en hoeveel. Met name dat onderdeel kan veelzeggende resultaten opleveren.
In zijn onderzoek neemt de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) verder mee welk belastinggebied provincies het beste past. Een alternatief is nodig, omdat bij invoering van kilometerheffing de mogelijkheid vervalt provinciale opcenten te heffen op de motorrijtuigenbelasting. Gezocht wordt, zo weten ingewijden, naar een meer zichtbare belasting. De huidige opcenten worden wat al te gemakkelijk verdiend. De adviezen van de Rfv aan Binnenlandse Zaken worden komend voorjaar verwacht.
De heersende verwachting is dat wordt voorgesteld het stelsel van de provinciale financiën niet met het nagelschaartje, maar met de heggenschaar opnieuw in model te brengen. En een aloude wijsheid is dat wie wordt geschoren, beter stil kan blijven zitten.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.