Advertentie

Paul Tang is strafbaar

Op dezelfde dag dat de commissie-Davids haar Irak-rapport publiceerde, werd ook het rapport van de Commissie-Prinsjesdagstukken gepubliceerd. Het rapport van de Commissie-De Wijkerslooth – onder de titel ‘Publiek Geheim’- ging volledig ten onder in de publiciteit rond het rapport van de Commissie-Davids. Dat is jammer, want het rapport bevat een aantal zeer opmerkelijke conclusies.

29 januari 2010

De belangrijkste aanleiding voor de instelling van deze commissie was het lekken van een deel van de Prinsjesdagstukken door het PvdA-Tweede Kamerlid Paul Tang aan RTL. De commissie doet aanbevelingen voor een betere omgang met geheimhouding en embargo’s en heeft zich tevens beraden op de vraag of Paul Tang strafrechtelijk zou moeten worden vervolgd. De commissie redeneert op dit punt voorzichtig en omfloerst, maar de conclusies zijn voor geen enkel misverstand vatbaar.

 

In feite wordt vastgesteld dat Paul Tang zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke schending van een geheimhoudingsplicht, strafbaar gesteld in art. 272 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De commissie letterlijk: ‘Een Kamerlid weet of kan redelijkerwijs vermoeden dat de Prinsjesdagstukken gedurende de embargoperiode in beginsel niet aan de openbaarheid mogen worden prijsgegeven. Een Kamerlid behoeft zich niet aan de embargoregeling te onderwerpen, maar dan moet hij of zij ook afzien van kennisneming van de Prinsjesdagstukken.’

 

Op de vraag of Paul Tang moet worden vervolgd, antwoordt de commissie dat een vervolging onbegaanbaar is. In dit soort gevallen is sprake van een ambtsmisdrijf en Kamerleden staan dan terecht voor de Hoge Raad die als enige rechter hierover moet oordelen, hoger beroep is uitgesloten. De opdracht tot vervolging kan slechts worden gegeven bij Koninklijk Besluit of door een besluit van de Tweede Kamer. De procureur-generaal bij de Hoge Raad is belast met de vervolging. Als de Kroon of de Tweede Kamer tot een vervolging besluit kan de PG dit besluit niet naast zich neerleggen. De commissie-De Wijkerslooth komt nu tot de slotsom dat deze procedure in de praktijk over de hele linie onwerkbaar en onhanteerbaar is.

 

Waar het gaat om Kamerleden moet door vijf parlementariërs een aanklacht met opgave van feiten worden ingediend. Bij een positief besluit van de Kamer wordt een onderzoekscommissie ingesteld, waarbij de procedure van de parlementaire enquête wordt gevolgd. De onderzoekscommissie heeft geen afzonderlijke opsporingsbevoegdheden, het Openbaar Ministerie kan daarvoor niet worden ingeschakeld. De last tot vervolging aan de PG van de Hoge Raad moet binnen drie maanden klaar zijn.

 

Deze tijdsdruk, de afwezigheid van opsporingsbevoegdheden en het vervolgingsmonopolie van de Tweede Kamer doet de commissie concluderen dat ‘het instigeren van een vervolging door de procureur-generaal bij de Hoge Raad in een zaak van enig gewicht een mission impossible is’. Dit is een conclusie met vergaande gevolgen. Het betekent in feite dat het hele stelsel van de vervolging van Kamerleden voor ambtsmisdrijven daarmee wordt opgeblazen, terwijl de grondwetgever dit stelsel in 1983 uitdrukkelijk heeft gehandhaafd.

 

Waar andere volksvertegenwoordigers in gemeente en provincie wel kunnen worden vervolgd - en dat gebeurt in de praktijk bij schending van geheimhoudingsplichten – ontstaat door deze conclusie voor Kamerleden een algehele feitelijke strafrechtelijke immuniteit bij ambtsmisdrijven. Uiterst curieus is ook dat de door de commissie naar voren gebrachte procedurele bezwaren niet op het geval-Tang van toepassing zijn. Er is een bekennende verdachte, veel verder onderzoek is niet nodig en de delictsomschrijving is helder. Nu is het wel begrijpelijk dat er in de Tweede Kamer geen enkele behoefte bestaat om collega Tang te vervolgen, maar de stelling dat die vervolging in dit geval onbegaanbaar is, kan stevig worden betwist.

 

Wel is er alle aanleiding om eens grondig te bezien of de geldende procedure niet moet worden vervangen. Daar is alle aanleiding toe, want nu kunnen hevige vormen van rechtsongelijkheid ontstaan tussen nationale volksvertegenwoordigers die zonder gevolgen ambtsmisdrijven kunnen plegen en decentrale volksvertegenwoordigers die in voorkomende gevallen worden vervolgd en worden veroordeeld.

 

Douwe Jan Elzinga is hoogleraar Staatsrecht aan de RU Groningen

 

Plaats als eerste een reactie

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.

Advertentie